Afdrukken
Hits: 2533

BurgerdijkBouwwerf:    C.vd Giessen & zonen Scheepswerven NV.

Tonnage:     6869 brt

L x B x H:     126,93 x 16,46 x 11,89 m.

Voortstuwing: Brown-Curtis turbines; enkelschroef; 3000 apk

Snelheid:      12 knopen.

Passagiers:   3, na 1934:  7

Bemanning:   44 koppen

Gebouwd als stalen vrachtschip met twee dekken. De kiel werd gelegd op 1 mei 1919 en de romp werd te water gelaten op 8 oktober 1920.
Arriveerde op 28 februari 1921 in Belfast voor de installatie van de motor die deel uitmaakte van de Britse betalingen die dienden als compensatie voor het verlies van de Justicia.
Overgedragen aan de HAL op 19 juni 1921.

Ze begon haar eerste reis van Rotterdam naar New York op 25 juni 1921. In dienst op de routes naar de noordoostkust van Amerika en de havens in de Golf.

1928, 20 januari  Roer verloren op Atlantische oceaan (zie link BIJZONDERE GEBEURTENISSEN)
1934  De passagiersaccommodatie wordt vergroot naar zeven door ombouw van de bemanningsaccommodatie.
1940, 10 februari Torpedering door onderzeeboot U 48(zie link BIJZONDERE GEBEURTENISSEN)

Zusterschepen: Beemsterdyk, Binnendyk, Blijdendyk, Breedyk, Bilderdyk, Boschdyk, Blommersdyk

(tekst: John van Kuijk, lid Archiefcommissie)

Bronnen
Boer, G.J. de “125 jaar Holland Amerika Lijn”; uitg. De Alk, Alkmaar 1998; ISBN 90 6013 074 X
Dalkmann, H.A. en Schoonderbeek, A. “125 years of Holland America Line”; Edinburgh Pentland Press 1998
Seabrook, W.C. "In the war at sea". uitgave HAL 2nd edition, 1950

Websites
Maritiem Historische Databank
Maritiem Digitaal
Wrecksite.eu
Captain Albert's Blog



BIJZONDERE GEBEURTENISSEN

1928, 20 januari                               Roer verloren op Atlantische oceaan
Bron:
Oosterwijk, B; Smit 150, 1842 – 1992; Smit Internationale 1992   ISBN: 9060135199) p. 118 - 121

……………………   Méér resultaat had de ‘Roode Zee’ in 1928. Kapitein Nils Persson lag met de boot op station in St. Johns. Plotseling pikte de marconist het bericht op dat het vrachtschip ‘Burgerdijk’ van de Holland-Amerika Lijn - zeven jaar oud en 6.872. bruto ton groot - tussen Newfoundland en de Azoren, op 609 mijl van het Smit-station, het roer had verloren. 'Wij erop af, seinen, een Hollands schip, dus dachten wij, dat geeft een goede kans', vertelde Persson later aan Mouton. Maar de ‘Boschdijk’, van dezelfde rederij, bevond zich in de omgeving en de gezagvoerder van dat schip wilde het slepen van een ander schip ook wel eens proberen. Er werd een verbinding gemaakt en er werd inderdáád gesleept. Maar lang duurde dit niet, want de tros begaf het. En de ‘Roode Zee’ werd toen alsnog om assistentie gevraagd.           p 118

Persson: 'Dat was een heel eind en niets is zo beroerd werken als het slepen van een schip zonder roer. Gieren van de ene zijde naar de andere; dan ligt zij aan stuurboord dwars van je, dan aan bakboord. En als dan de kapitein nog zo eigenwijs is en hij wil met zijn eigen machine een klapje helpen om de vaart wat te vermeerderen, dan loopt het helemaal mis en vliegt zo'n schip ons aan de sleeptros haast helemaal voorbij'. De Roode Zee moest dan ook voortdurend seinen niet met de machine te helpen en niet sneller te varen. Met hulp van de toegesnelde ‘Humber’ en de ‘Poolzee’ - die er als kleinere boot achter ging hangen en op die manier een soort van roer vormde, zodat het gieren verminderde - had de Roode Zee drie Weken nodig om het HAL-schip naar Rotterdam te brengen.

'En de vaart was net als die van een wandelaar als deze de oceaan zou zijn overgewandeld' maakte Persson als vergelijking 'En dan merk je pas hoe groot die plas is'. Zowel de ‘Burgerdijk’ als de ‘Boschdijk’ overleefden het eerste oorlogsjaar 1940 niet. De eerste ging reeds op 10 februari van dat jaar door een Duitse torpedo ten onder; bij Bishop Rock, een rotspunt met daarop een vuurtoren bij de Scilly Eilanden. De ‘Boschdijk’ verbrandde drie maanden later, in mei, toen het schip aan de Wilhelminakade in Rotterdam lag gemeerd en slachtoffer werd van de hevige gevechten tussen het Nederlandse leger en de Duitse aanvallers. ………………………………….       P 121




1940, 10 februari                       Torpedering door onderzeeboot U 48

Bronnen:
Situatiebeschrijving:      uboat.net                         http://uboat.net/allies/merchants/ships/239.html
Ooggetuigeverslag:        C.de Neef                        C. de Neef
kranten (1)
Kranten (2)


Naam: Burgerdijk
Type: Stoom vrachtschip
Tonnage: 6,853 ton
Opgeleverd: 1921 - C. van der Giessen & Zonen’s Scheepswerven NV, Krimpen aan den IJssel
Eigenaar: Nederlandsche-Amerikaansche Stoomvaart Mij NV, Rotterdam
Thuishaven: Rotterdam
Datum aanval: 10 Feb 1940
Nationaliteit: Nederlands
Lot: tot zinken gebracht door de U-48 (Herbert Schultze)
Positie: 49° 45'N, 6° 30'W - Grid BF 2472
Opvarenden: 7 passagiers en 44 bemanningsleden (allen gered)
Route: New York – Rotterdam
Lading: Tarwe en maïs

Situatiebeschrijving:

Onderweg van Boston naar Rotterdam met een lading tarwe en mais werd de Burgerdijk (kapitein L. M.J. Scriwanek) na een drie uur durende achtervolging op 10 februari 1940 om 17.03 uur aangehouden door de U48 op 15 mijl ten zuidwesten van de Scilly eilanden. Stuurman Dijk ging met de papieren aan boord van de U48 en het bleek dat men opdracht had om naar de Downs op te stomen. Hoewel de papieren in orde waren bevonden, moesten de 7 passagiers en 44 bemanningsleden het schip verlaten. Om 18.45 uur kreeg het schip in de positie 49.45 N, 006.30 W, 15 mijl ten zuiden van Bishop Rock in het Engelse Kanaal een torpedo in de midscheeps en zonk. De overlevenden werden opgepikt door het ss Edam, ook een HAL vrachtschip.”
Nederland was nog niet in oorlog en eiste dus van Duitsland volledige schadeloosstelling.

Ooggetuigenverslag (C. de Neef) :
“Op Zaterdag 10 Februari om 16.20 waren wij op 49 graden 43 minuten noorderbreedte en 6 graden 27 minuten westerlengte ongeveer 7 mijl van Bishop Rock in enigszins mistig weer en wij lagen vóór op de Edam. De houten rood wit blauwe vlag, opgesteld bovenop de stuurmachinekamer, werd reeds verlicht door de door ons aangebrachte reflectoren. Kapitein Scriwaneck was op de brug met de eerste stuurman en de 2e stuurman toen zij in de schemering iets donkers waarnamen, denkend dat, dit de rotsgroepen rond Bishop Rock waren, veranderde de Kapitein van koers en stoomde ongeveer 30 minuten naar het zuiden. Door het slechte zicht was het moeilijk de goede positie van het schip te bepalen. Dit werd later gezien als de oorzaak van het feit dat de commandant van de Duitse onderzeeër dacht dat wij aan het zigzaggen waren.

Om 17.00 uur kwam de U-boot aan BB achter ons boven water met de Duitse oorlogsvlag in top en gaf opdracht dat wij onmiddellijk moesten stoppen. Om 17.15 werd ik afgelost om aan de eerste tafel mijn diner te gaan nuttigen. Men was toen bezig een sloep te strijken aan BB want de Commandant, Ltz 1 Herbert Schultze, had te kennen gegeven dat hij de ladingpapieren wilde controleren. Wij verorberden onze hap, tuinbonen met vette lappen, zo snel mogelijk zodat wij nog even aan dek konden kijken alvorens weer op wacht te gaan. Ik ben toen naar mijn hut gegaan en heb een foto van de deinende U-boot gemaakt door de patrijspoort. Omdat het wat mistig was en al een beetje schemerig ben ik achter de toekijkende bemanningsleden gaan staan om nog een foto van de U-boot te maken. De eerste stuurman Dijk was met 4 matrozen naar de U-boot geroeid. De Commandant van de U-boot maakte zich niet druk om de ladingpapieren en maakte een opmerking dat papier geduldig is en dat men er op kon zetten wat goed uitkwam. Toen hij het stuwplan bekeek vroeg hij de stuurman waarom wij lege vaten vervoerden in oorlogstijd. Wij hadden inderdaad lege whisky vaten aan boord en ergens was er bij hem een lampje gaan branden.

Hoe stuurman Dijk ook argumenteerde dat wij neutraal waren, het hielp hem geen moer. Op een gegeven moment zei de Commandant tegen hem "Es tut mir Leid das ich Sie versenken muss". Hij gaf daar 3 redenen voor, ten eerste hadden wij gezigzagd, te tweede waren wij op weg naar een Engelse haven en ten derde had onze marconist geseind. Dit laatste is heel goed mogelijk want de Edam en de Burgerdijk hadden geregeld hun positie aan elkaar door gegeven met het oog op de weddenschap.

Stuurman Dijk op de commandotoren van de U-boot hoorde de Commandant orders geven een lanceerbuis klaar te maken. De Commandant vertelde hem dat hij ons een half uur gaf om het schip te verlaten. De lichten moesten gedoofd worden en de marconist mocht een telegram versturen dat wij na een aanvaring zinkende waren, dat onze positie 15 mijlen zuid van Bishop Rock was. Om 18.20 waren de sloepen los van de Burgerdijk, bepaald ordelijk was dit niet verlopen. De 4e stuurman had met de bootsman en een paar matrozen op eigen houtje een sloep aan SB zij gestreken, terwijl de Kapitein dacht dat de hele bemanning in twee gestreken sloepen aan BB kant zat.

Toen wij met onze sloep weg trachtten te roeien ging dat niet want de vanglijn bleek nog vast te zitten aan de Burgerdijk. De lijn moest gekapt worden maar er was geen bijl in de sloep, er werd dus om een zakmes gevraagd. Mijnheer van der Bosch één van de passagiers van de Burgerdijk produceerde een Herenzakmesje waarmee de vanglijn werd aangevallen. Ik hoor onze geliefde Hwtk. nog jengelen "Snij dat touwtje nou toch door jongetjes, het gaat toch om onze leventjes". Een natte manilla tros doorsnijden met een nagelpeutertje is echter niet zo simpel onder dergelijk soort omstandigheden. Het lukte en wij roeiden als gekken om tussen de U-boot en de Burgerdijk uit te komen. Om 18.40 kwam er een doffe knal, de stoomfluit van de Burgerdijk begon in onze oren jammerlijk te blazen en bleef blazen. Het klonk als een langgerekte doodskreet van een schip, een schip dat betrekkelijk snel in de golven verdween. Daar dobberden wij dan in 3 sloepen op een tamelijk hoge deining. Het ene moment keken wij tegen een andere sloep op, het andere moment keken wij vanaf een golftop in diezelfde sloep neer. De Kapitein wilde de 3 sloepen bij elkaar houden en de 3 sloepen werden met lange lijnen aan elkaar vast gemaakt. De 4e stuurman had zijn zaakjes het best voor elkaar, hij vergastte ons op een muziekprogramma van de BBC met zijn van boord meegenomen draagbare radio. Onze sloep maakte water en om de stabiliteit te verhogen moesten sommige van ons onder in de sloep gaan zitten. Ik zat naast de Heer v.d. Bosch (Eigenaar van de Hoge Vuursche en 77 jaar oud) en wij hadden wat kurken zwemvesten onder ons achterwerk gestopt om zo goed en kwaad als het ging onze achterste droog te houden. Kapitein Scriwaneck aan het roer, achter boven ons, was bezorgd om zijn 77 jaar oude passagier en vroeg regelmatig hoe hij het maakte. Dit begon den Heer v.d. Bosch kennelijk te vervelen en heel gevat zei de oude Heer tegen hem "Hou nu eens op Kapitein, Ik heb het hier beter dan bij jou op de Burgerdijk, ik heb hier een hut met stromend water" doelende op het klotsende water onder in de lekkende sloep. Op het gangboord zat een stuurmansleerling.

Ik had al een paar maal flink zitten slikken om mijn tuinbonen en vette lappen erin te houden, want de zoon van een zeeman, die de zoon van een zeeman was en die ook weer de zoon van een zeeman was, enz. die mag toch niet zeeziek worden. De leerling werd echter wel zeeziek en in plaats van buitenboord zijn hap eruit te gooien deed hij dat binnen boord, precies op mijn uniformpet. Wel eens een maaltje tuinbonen en vette lappen in een slijmerige substantie van een uniformpetklep vlak langs Uw ogen naar beneden zien dalen? Ik wel, en net voordat ik zeeziek werd heb ik tegen de leerling gezegd dat hij zijn eten beter moest kauwen. Als er iemand zeeziek is geweest na deze vertoning dan ben ik het wel geweest. Ik heb toen over zitten geven tot er niets, maar dan ook niets meer over te geven was. Volgens de kranten was er voldoende te eten en te drinken in onze sloepen, niet in onze sloep, er was geen water in de watertanks en de zeekaak was niet te eten. Daar kon je je gebit op breken.

In al mijn ellende moest ik toen aan het slogan van de HAL denken "It’s good to be on a wellrun ship". Ik zat daar dan op een kurkenzwemvest als een hoopje oud vuil in elkaar gehurkt te verrekken van de kou en probeerde te gelijker tijd mijn camera droog te houden en de tas met grammofoonplaten heel en droog te houden. Van tijd tot tijd werden er vuurpijlen afgestoken en wat Bengaals vuur om zo de aandacht te kunnen trekken van schepen die eventueel in de nabijheid konden zijn. Ik geloof dat dit de ellendigste nacht van mijn leven is geweest. Natte voeten, koude benen in een natte broek, een jas die naar braaksel stonk, druilerig weer, het constante geklots van het water onderin de sloep en de hoge deining die volgens sommigen opliep tot 10 meter hoog. De stemming verbeterde iets toen de dag aanbrak. De Kapitein schatte dat wij ongeveer 10 mijl van Bishop Rock verwijderd waren. Om ongeveer 07.00 was die afstand met 2 mijl verminderd,

Tot grote schrik van de Kapitein bleken wij nogal ver naar het Noordwesten te zijn afgedreven en de Kapitein vreesde dat wij in de hevige branding voor de kust terecht zouden komen. Met man en macht zijn wij toen gaan roeien om niet op de Needles onze sloepen aan barrels te zien slaan. De Hollandse vlag werd in de mast gehesen.

Om ongeveer 07.30 kwam er een schip aan de kim. Er werden direct vuurpijlen afgestoken en met Bengaals vuur aan latten gebonden gezwaaid. Om 08.00 veranderde het schip van koers en stoomde op ons af. Zeeziekte was vergeten, ellende was vergeten, iedereen was in een jubelstemming. Toen wij langszij van de Edam kwamen maakte ik als de bliksem nog een foto en toen ik aan boord van Edam was heb ik vanaf het dek achter de hut van de Hwtk. nog een foto van de drie sloepen gemaakt. Jan Mijlhof, een oude studiemaat van mij, was ass.wtk. op de Edam en die nam mij gelijk mee naar zijn hut, waar de verwarming vol was bijgezet. Warm worden en slapen waren onze eerste gedachten. Mijn doorweekte tas met grammofoonplaten werd leeg gemaakt. De platen waren nog in goede staat, de labels waren er afgeweekt en de hoezen waren naar de bliksem. Ik kon echter de platen aan mijn vrienden in Rotterdam geven.

Onze geliefde Hwtk wilde de volgende morgen nog een rotstreek met ons uithalen door ons opdracht te geven kleine reparaties in de Machinekamer van de Edam te gaan verrichten, maar hier stak de Hwtk den Heer Becker van de Edam een stokje voor.

Toen wij in de Downs kwamen lag de ‘Boskoop’ van de KNSM klaar om te vertrekken. Met dit schip zijn wij naar Amsterdam vertrokken. Op 14 Februari 1940 kwam de ‘Boskoop’ in IJmuiden aan, op 15 Februari 1940 s’ middags om 14.30 u stapten wij aan de Surinamekade van boord en wie stond daar op mij te wachten met een taxi? Mijn Vader! Hij was van Rotterdam gekomen met een taxi omdat hij wilde dat ik zo snel mogelijk thuis zou zijn. De verwarming in de taxi werkte niet, maar daar kon hij niets aan doen. Toen wij in Rotterdam op de Schiedamse weg uitstapten liep ik weer te verrekken van de kou.

Het eerste wat ik de volgende morgen ging doen was de grammofoonplaten, die ik voor de sport had meegenomen, bij mijn vrienden afleveren. Die zelfde dag ben ik ook nog naar den Heer Drukker van personeelszaken van de Machinedienst gegaan om een ander schip te vragen. Ik ben toen met de Edam naar zee gegaan en heb daar de hele oorlog op gevaren!

C. de Neef