kapitein Filippo6-12-1884, Leiden           † 17-9-1945, Hilligersberg

 

 

Inleiding

Abraham Filippo overleed enkele maanden na de bevrijding op 17 september.
Kapitein Filippo was gezagvoerder van de "Veendam" (2) toen het schip tijdens de meidagen van 1940 aan de Wilhelminakade lag en in Duitse handen viel. Hij heeft niet het voorrecht gehad om op zee tegen de vijand te strijden, maar zijn werk in het bezette Nederland was minstens zo doeltreffend. Abraham Filippo leidde een ondergrondse groep van kapiteins, officieren en burgers, die zich hebben belast met de zorg voor de financiële ondersteuning van de vrouwen en families van hen die op zee de geallieerde zaak dienden. Dat was een riskante bezigheid!

Zijn overlijden kort na de bevrijding van Nederland was mede het gevolg van de zware last waaronder hij heeft moeten werken. Hij werd met alle eer begraven. Duizenden volgden de lijkkoets door de straten van Hillegersberg naar de begraafplaats. Zijn naam wordt sindsdien dankbaar herinnerd door hen die zich door hem geholpen wisten om te volharden en om in leven te blijven in die bange dagen.

HAL–historicus Laurens van der Laan heeft op basis van archiefonderzoek bij het NIOD te Amsterdam en literatuurstudie een tweetal artikelen over de “Zeemanspot” en kapitein Filippo gepubliceerd in het blad HALLO van vereniging “De Lijn”. Deze artikelen zijn hier samengevoegd tot één geheel. Het is een eerbetoon aan de kapitein en “zijn Zeemanspot”!

In tal van naoorlogse publicaties in kranten, boeken en op het internet zijn de rol van kapitein Filippo en de inspanningen van allen die zich hebben ingezet voor de “Zeemanspot” onderbelicht gebleven. Zo schreef mr. Gijs van Hall (oud-burgemeester van Amsterdam) in 1948 als directeur van de naoorlogse stichting, door de minister van Financiën belast met de afwikkeling van een en ander, het boekje 'Nationaal Steun Fonds 1943-1945' - (NSF), een voordracht, grotendeels gebaseerd op zijn ervaringen in Amsterdam. Wat betreft de periode mei 1940 tot eind 1942 worden de activiteiten van zijn broer Walraven van Hall en die van ir. Iman Jacob van den Bosch, werkzaam bij Philips in Eindhoven, weergegeven, terwijl over de activiteiten van kapitein Filippo in Rotterdam slechts enkele opmerkingen worden gemaakt.

Gijs van Hall en zijn broer Wally, als bankiers van het verzet, bekostigden onder de naam N.S.F. vele ondergrondse activiteiten zoals: het Zeelieden Disconto Instituut (ZDI) en het Landrotten Disconto Instituut (LDI), kortweg “Zeeliedenfonds” of “Zeeliedenpot” en “Landrottenfonds” of “Landrottenpot” genoemd. Dat is hun grote verdienste.
Maar deze activiteiten moeten NIET verward worden met de “Zeemanspot”.

Dit artikel beoogt helderheid te bieden over het ontstaan van de “Zeemanspot” en de rol van kapitein Filippo.


 

De “Zeemanspot”, een chronologie

1940

In de meidagen was een groot aantal schepen buitengaats en het zou jaren duren voordat zij weer thuis konden varen. Veel van de bemanningen hadden zoals gewoonlijk bij hun aanmonstering een machtiging getekend, de zogenaamde week- of maandbrief, waardoor zij een percentage van hun gage regelmatig door de betaalmeester van de Holland Amerika Lijn aan hun vrouw of familie lieten uitbetalen. Dat systeem was gebruikelijk omdat schepen soms maanden weg waren en dan werd bij de afmonstering, aan het einde van de reis, een en ander verrekend. In de eerste maanden van de oorlog werd op dit vlak door de bezetter weinig actie ondernomen. Het leven ging verder onder een ‘Rijkscommissaris voor het Bezette Nederlandse Gebied’. Hij plaatste bij alle scheepvaart-maatschappijen een ‘vertrouwensman’ en verlangde een opgave van de buiten bezet gebied verkerende vloot. De afgetreden HAL-directie had echter geen contact meer met de schepen en kon officieel niets meer betekenen. Nederlanders die nationaal-socialistisch gezind waren, bekend als NSB'ers, vonden het allemaal prima. Maar vele anderen begonnen zich geleidelijk te verzetten tegen de door de Duitsers genomen maatregelen.

Na verloop van tijd was er bij het HAL-bedrijf niet veel meer te doen en overtollig kantoor- en terreinpersoneel werd ontslagen of overgeplaatst. Ook kreeg de betaalmeester van de HAL-rekenkamer veelvuldig het verzoek van vrouwen van zeevarenden, die geen of een te kleine week- of maandbrief hadden, om extra uitkeringen. Maar zonder toestemming van de betrokkene kon hij de bedragen niet zo maar verhogen. Toen kapitein Filippo geconfronteerd werd met deze toestand, besloot hij in het najaar van 1940 langs andere wegen gelden in te zamelen om toch in staat te zijn, waar nodig, aan de vrouwen geldbedragen te lenen. Dit overlegde hij met directeur Bouman, die morele steun toezegde. Kapitein W.P. Morée te Rotterdam, hoofdwerktuigkundige J.W. Verbaan te Den Haag, kapitein Th. Jaski te Bilthoven, kapitein C. Kleyn te Leersum, eerste officier J.B. van Gaart te ‘s-Hertogenbosch en de heer J.H. van Londen van de Rekenkamer boden hun diensten aan. Van veel vooraanstaande personen in verschillende plaatsen werden toezeggingen verkregen en zo ontstond langzamerhand door het hele land een netwerk van illegale medewerkers, ook wel ‘voogden’ genoemd.

 Kapt. Abraham Filippo ss Veendam.JPG

Kapitein Filippo in zijn hut aan boord ss “Veendam”.                                                         (Foto: Mw. J. Spits)


Alle ingezamelde kleine of grote bedragen, hetzij als lening of als gift (“au fonds perdu”), van bedrijven of vrienden en kennissen werden afgedragen aan kapitein Filippo en zijn centrale kas genaamd “Zeemanspot”. Hij stuurde dan geregeld een som geld naar weer andere voogden in het hele land die lokaal bekend waren met de zeemansgezinnen en daar de uitkeringen deden. Dit moest natuurlijk met de grootste voorzichtigheid gebeuren. Daarom eiste Filippo dat de voogden zich alleen zouden bezighouden met de “Zeemanspot” en niet aan andere illegale activiteiten deel zouden nemen en daarmee 'de pot’ in gevaar te brengen. Alle voogden werkten onder een schuilnaam in een wijk en kenden elkaar niet. Zo ontstonden twee afzonderlijke circuits: één om het geld in te zamelen, een ander om het geld uit te betalen. Niemand wist precies hoe de vork in de steel zat. Loslippigheid zou iedereen persoonlijk in gevaar kunnen brengen. Er waren overal verraders die de bezetter hielpen!



1941


Leeuwarder courant 12041941 gages

ANP-bericht, gepubliceerd in Alg. Handelsblad 13-04-1941                            
(Bron: Delpher.nl)

Extra aanleiding voor de activiteiten van de “Zeemanspot” was een verordening van de bezetter van maart 1941, waarin stond dat de door de rederijen te betalen gages aan deze zeemansgezinnen niet meer mogen bedragen dan het bedrag van het Maatschappelijk Hulpbetoon. Dat de Duitsers niet veel succes hadden met dit plan bleek toen zij op 11 april 1941 via Radio Hilversum een verbod uitvaar-digden aan scheepvaartmaatschappijen om aan vrouwen van opvarenden nog langer de week- en maandbrieven uit te betalen. Deze maatregel betekende een zware slag en werd overal met grote verontwaardiging ontvangen. De gezinnen mochten niet in de steek worden gelaten. In juni 1941 riep mr. M.P.L. Steenberghe, de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, via Radio Oranje vanuit Londen alle Nederlanders op deze maatregelen teniet te doen en naar vermogen gelden beschikbaar te stellen om de families der zeevarenden te steunen. Overal in het land kwamen nu personen of kleine illegale organisaties in actie die voorzichtig geld gingen inzamelen voor hen bekende families. Het duurde echter nog tot eind september 1941 vóór de kortingen op de week- en maandbrieven op order van de Duitse overheid een voldongen feit werden. Pogingen van de reders om deze maatregelen te ontduiken zouden als sabotagedaden worden aangerekend.

Nu werd de organisatie van de “Zeemanspot” belangrijk uitgebreid. Kapitein Filippo kreeg thuis in Hillegersberg bezoek van enige mensen uit de buurt zoals de heer C. Trapman, personeelschef bij de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaartmaatschappij (VNS) en ir. S. van der Wijk, assuradeur, met connecties aan de beurs. En ook van de heer A.J. Teunissen, directeur van een glasfabriek in Dordrecht, die daar al maanden bezig was met verschillende ‘klanten’, maar er nu ook enige in Rotterdam kreeg. Het werd moeilijk van de verschillende scheepvaartmaatschappijen in Rotterdam en Amsterdam bemanningslijsten te krijgen, maar op het laatst waren er alleen al in Rotterdam zo'n 1900 gezinnen bekend. In deze periode vond de heer Trapman een boekhouder in de persoon van dhr. H.G. Spits, de enige met een salaris uit de “Zeemanspot”. Hij zou na de oorlog nog enige jaren bezig zijn met de financiële afwikkeling van zaken..

Op 7 december 1941 werd neutraal Amerika aangevallen door de Japanners waarop president Roosevelt de oorlog verklaarde aan dat land en tegelijkertijd aan Duitsland en Italië.
De Europese geallieerde naties, met overzeese gebiedsdelen in het Verre Oosten, volgden kort daarna.

 

1942


In het voorjaar werden de week- en maandbrieven verder gekort. De nood betrof ook gezinnen van het personeel van de Koninklijke Marine. Officieren van de koopvaardij moesten op de Lloydkade te Rotterdam een cursus volgen om verder hun wachtgeld te kunnen ontvangen. Hier ontmoette kapitein L.P. Gazan van de Scheepvaart en Steenkolen Mij. (SSM), die als ‘hoofdopzichter’ van de illegale radiodienst gelden inzamelde voor de “Zeemanspot”, kapitein F.J. de Jonge van de Rotterdamsche Lloyd. Zij kenden elkaar van de zeevaartschool in Vlissingen. Kapitein de Jonge uit Breda was sinds augustus 1940, samen met zijn vrouw en broer W.A. de Jonge, als directiesecretaris bij NV. Philips in Eindhoven, betrokken bij het inzamelen van gelden onder de naam “Tromp fonds”. Dat fonds was gestart door de heer Iman J. van den Bosch en enkele andere medewerkers van Philips. Zij schonken bedragen op verjaardagen aan gezinnen van onderduikers en zeelieden en regelden vakanties voor kinderen via kapiteins in Zeist en Leersum.

 

Wel of niet samenwerken “Zeemanspot” en "Nationaal Steunfonds” ?

Kapitein Gazan bracht kapitein De Jonge in contact met kapitein Filippo en de mogelijkheid tot samenwerking werd besproken. Maar kapitein Filippo leende geld aan de vrouwen, terwijl kapitein De Jonge het schonk. Ook bleef kapitein Filippo bij zijn standpunt dat zijn voogden zich alleen zouden bezig houden met de “Zeemanspot”. Daarmee kon kapitein De Jonge zich niet verenigen. Omstreeks diezelfde tijd in januari kreeg kapitein Filippo bezoek van de heer Walraven van Hall, bankdirecteur te Zaandam. Deze was inmiddels samen met de heer I.J. van den Bosch landelijk bezig onder de naam Nationaal Steun Fonds voor de gezinnen van de uitgeweken kleine vaart: kustvaarders, zeesleepvaart en visserij. Maar ook voor allerlei ondergedoken personen. Daarbij financierden ze ook een groot aantal illegale activiteiten. De regering in Londen stond garant voor het na de oorlog terugbetalen van de vele door hen geleende miljoenen.  Zij wilden nu gaan samenwerken, maar daar voelde kapitein Filippo niets voor. Hij bleef bij zijn standpunt om, uit veiligheidsoverwegingen, niet deel te nemen aan andere activiteiten van verzet. Wel werd afgesproken dat het NSF de gezinnen met familie op de grote vaart in het district Amsterdam zou overnemen van de “Zeemanspot” omdat die havenstad hem soms problemen bezorgde. Immers een van zijn voogden daar was opgepakt. Het district Rotterdam onder leiding van kapitein Filippo werd inmiddels nog uitgebreid met gezinnen van de officieren van de Koninklijke Marine, toen deze in mei 1942 opnieuw als krijgsgevangenen op transport werden gesteld.

 

1943

De “Zeemanspot” werd uitgebreid met de “Tromp Fonds” gezinnen, toen kapitein De Jonge het te druk kreeg met andere illegale activiteiten.

 

1944


Na de geallieerde landing in Normandië in juni naderden de troepen langzaam Nederland en volgde op 5 september wat later is gaan heten “Dolle Dinsdag”. De Duitsers en NSB'ers namen de vlucht, maar kwamen na de mislukte ‘Slag om Arnhem’ weer terug om de havens te verwoesten en om mannen uit Rotterdam en andere plaatsen op te pakken en naar Duitsland te sturen. De regering in Londen verlangde op 17 september een staking van het spoorwegpersoneel om de transporten van de Duitsers te verhinderen. Kapitein Filippo had zijn voogden al voorzien van een ‘bevrijdingspot’, in geval de communicatie bemoeilijkt zou worden door de opmars van de geallieerden Ook girobetalingen moesten doorgaan maar werden ernstig vertraagd door een tekort aan personeel bij de PTT.

In augustus werd hoofdwerktuigkundige J.W. Verbaan, die sinds het begin van de "Zeemanspot” families verzorgde in Den Haag en omgeving, opgepakt door de Duitsers en naar de kampen Buchenwald en Flossenburg in Duitsland gevoerd waar hij overleed. Zijn vrouw heeft het werk voortgezet, terwijl zij na de oorlog veel moeite heeft gehad een verklaring van zijn overlijden te krijgen. Doordat de bevrijding van de rest van Nederland steeds langer op zich liet wachten, kreeg men te maken met de Hongerwinter en kwam de “Zeemanspot” op een gevaarlijk laag saldo te staan. Er moest dringend een beroep gedaan worden op het Rotterdamse bedrijfsleven. Soms werden, behalve geld, ook belangrijke goederen verkregen zoals kleding, schoeisel, aardappelen, tulpenbollen, suikerbieten enz. Die konden dan voorzichtig worden opgehaald in de loods San Francisco op Katendrecht, beheerd door de heer A.J. Hagens. De naastgelegen loods was in gebruik bij de Duitsers en soms werden voor hen bestemde afleveringen ‘per ongeluk’ bij de HAL bezorgd.

 

1945

In het voorjaar werd kapitein Filippo ziek. Na de bevrijding werd hij gehuldigd, maar overleed in september. Het werk aan de “Zeemanspot” werd overgenomen door kapitein Morée, totdat deze weer ging varen.

 
overlijden A.Filippo maasbode 190945 rand Familie

 

 

 

overlijden A.Filippo maasbode 190945 rand committee

 

 
Overlijdensadvertenties Maasbode 19-09-1945.

 (Bron: Delpher.nl)

 

 

1946

De Witte Hull collectie Ed Vermeulen

 villa De Witte Hull                                                                                              (Fotocollectie Ed Vermeulen)

 

Na de oorlog verwierf de Stichting “De Zeemanspot” een landgoed in de gemeente Zeist, genaamd ‘De Witte Hull’. Onder leiding van het echtpaar Trapman ging dit landhuis dienen als rust- en vakantieoord voor de families van in de oorlog omgekomen zeelieden. De grote eetzaal werd naar kapitein Filippo genoemd. Dit tehuis werd in 1966 verkocht en de baten werden verdeeld over de beide reddingmaatschappijen. Voor de "Zuid-Hollandse Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen” werd dit een bijdrage aan de bouw van een motorreddingsboot genaamd “De Zeemanspot”. Sinds 2014 maakt de boot als maritiem erfgoed deel uit van het Helders Historische Reddingboten Collectief.

 

Reddingboot De Zeemanspot collectie KNR

De motorreddingboot die de naam "De Zeemanspot" kreeg.

 

 

 

Achtergrondinformatie bij de tekst van dit eerbetoon 



"Bronnen en Literatuur"  (PDF)

 

"Verantwoording" (PDF)

"Recapitulatie uitkeringen Zeemanspot"  (PDF)

 

Joomla templates by a4joomla