Amerikaan

Door: Wim Tertoole
Toen ik in 1949 als vijftienjarige knaap m’n eerste reisje had gemaakt, was ik zo onder de indruk van het land Amerika, dat ik iedere kans wilde pakken om Amerikaans staatsburger te worden. Zelfs in de eerste jaren na m’n trouwen, ik werkte toen aan de wal, stelde ik nog alles in het werk om naar Amerika te emigreren; het land van de onbegrensde mogelijkheden. In ons kleine landje was toen door schaarste een gebrek aan alles. Alleen de zwarte markt floreerde.

In het verre Amerika was zo’n beetje alles te koop. Spijker- en kakibroeken, felgekleurde stropdassen en sokken, ‘Arrow’ shirts en “Fruit of the Loom’-ondergoed. Warenhuizen als de “Woolworth Store’ en de ‘5, 10 en 25 ct Store’. Voor weinig geld kon men zich goede kleding aanschaffen bij de Salvation Army. De Bowery, waar een verkoper die te slim voor jou was, je een kostuum verkocht dat veel te groot was. Broadway en Times Square, de bioscopen met doorlopende voorstellingen. De wereldsteden met hun wolkenkrabbers, dat was in mijn ogen Amerika. De bordjes “White Only’ en ‘Colored People Only’ vond ik vreemd, maar ik stond er verder niet bij stil. In de jaren ’50 is menigeen achtergebleven en men vond meestal werk als bordenwasser. De meesten werden al gauw gepakt en het land uitgezet. Het zou mij niet overkomen als ik zoiets zou ondernemen, dacht ik toen.

Aangemonsterd op het ss AAGTEDYK, voor de dienst Noord-/Zuid-Amerika (’51-’52), werd ik tijdens de reis, zeventien jaar oud, gepromoveerd van Ketelbinkie tot Tremmer. Ondanks de enorme loonsverhoging van ongeveer zestig gulden naar honderdveertig gulden per maand, weerhield dit mij er niet van om toch te trachten Amerikaan te worden.

In die tijd woedde de Koreaanse Oorlog. Door geheel Amerika zag men aanplakbiljetten met het opschrift ‘Join the Navy’. Dit was mijn kans, dacht ik. Géén bordenwasser die na enige tijd toch werd gepakt. De Amerikaanse ‘Navy’, dat was het. Ik besprak het met m’n maatje Matroos o.g. Henkie Lammers. Samen met mij wilde hij het grote plan ondernemen. In Albany aangekomen, waar we de volgende ochtend weer zouden vertrekken, gingen wij  ‘s avonds op verkenning. Een gebouw van de Navy was na enige tijd gevonden en wij  vroegen aan de dienstdoende officier of het mogelijk was om als Nederlanders dienst te nemen. Hij dacht van wel en we moesten ons de andere dag om tien uur melden. Wij gingen terug naar boord om de nodige maatregelen te nemen.

V.l.n.r. Henk Botzen (matroos o.g.), Henk Lammers (matroos o.g.), Wim Tertoole (tremmer), Frans Bodegom (matroos o.g.)
aan boord van de ‘Aagtedijk’ in mei 1951 te Boston, Mass. USA. (Collectie Wim Tertoole.)

Nadat wij extra ondergoed en een extra pantalon hadden aangetrokken, verlieten wij het schip geruisloos met in totaal nog geen tien dollar aan geld op zak. We brachten de nachtelijke uren door op straat, want we moesten zuinig zijn met het geld. In een cafetaria werd ’s morgens wat gebruikt. Om tien uur meldden we ons. Daar liet men ons weten, dat het onmogelijk was om als Nederlands staatsburger dienst te nemen in de Navy. We moesten ons maar bij de Nederlandse Marine melden, maar dat was onze bedoeling niet. Het ss AAGTEDYK was inmiddels vertrokken en daar stonden we. Wat nu?

We besloten liftend landinwaarts te gaan. Nadat we een lange lift van een verhuizer hadden gekregen, stopte op de highway een grote luxe wagen voor ons. Twee mannelijke personen lieten ons instappen en vroegen naar ons reisdoel. Wij vertelden dat ons schip in dok lag en dat we vrijaf hadden gekregen voor familiebezoek. De heren legitimeerden zich als Immigration Officer. We werden dan ook afgeleverd bij de Immigration. Na een verhoor en het afleggen van de eed, kregen wij, onder begeleiding, een prima maaltijd in een restaurant. De beambte liet ons weten, dat we tot nader order naar een ‘hotel’ gingen. We stelden ons er veel van voor en zagen ons al dansend op het dakterras, zoals men dat in films zag.                

De teleurstelling was zeer groot, omdat het hotel de gevangenis van Albany bleek te zijn. We werden geplaatst op een afdeling voor ‘jeugdige criminelen’ met een eigen hut! Inmiddels was er door de mensen van de Immigration met onze gezagvoerder, kapitein Hogervorst, contact opgenomen en besloten dat we weer in Hoboken konden opstappen. Het schip moest nog wat andere havens aandoen. Onze ‘vrijheidsberoving’ zou tien dagen duren. Na onze vrijheid weer te hebben gekregen, beiden een kostuum rijker dat we hadden gekregen van een lang-gestrafte, werden we op de trein gezet. We moesten eerst plechtig beloven, dat we niet onderweg zouden uitstappen, want we reisden zonder begeleiding.

Wat waren we gelukkig toen het ss AAGTEDYK in zicht kwam. Ons hele avontuur liep met een berisping af, omdat kapitein Hogervorst het zag als een kwajongensstreek van twee jonge knapen. Het plan was mislukt, maar door het dragen van het gekregen kostuum voelde ik me toch eenbeetje … Amerikaan.

Bron: HALLO 1992 nr. 2